1
Pagina 1 van 9
> Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Datum
12 november 2013
Onderwerp Aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders in semipublieke
sectoren
Het kabinet wil de kwaliteit van bestuur en toezicht in semipublieke sectoren
verbeteren. Daartoe worden op sectorniveau verschillende initiatieven ontplooid.1
Op sectoroverstijgend niveau ontvangt u binnenkort van mijn ambtgenoot van
Economische Zaken de kabinetsreactie op het rapport van de Commissie
Behoorlijk Bestuur. Deze commissie heeft in haar advies ook aandacht besteed
aan aansprakelijkheid van bestuur en toezicht. In de thans voorliggende brief
ontvouwt het kabinet de aanpak ten aanzien van de aansprakelijkheid van
bestuurders en interne toezichthouders van instellingen in semipublieke sectoren.
Daarmee doe ik mijn toezegging tijdens het Algemeen Overleg Civielrechtelijke
onderwerpen van 3 juli 2013 gestand. Het kabinet wil de wettelijke positie en
taakvervulling van interne toezichthouders in stichtingen en verenigingen
verduidelijken en zo de drempel tot aansprakelijkstelling of ontslag van
wanpresterende bestuurders en toezichthouders verlagen. Bestuurders en
toezichthouders die naar eer en geweten zorgvuldig hun taken uitoefenen, hebben
van deze wijzigingen niets te vrezen. Op korte termijn wordt een wetsvoorstel
inzake bestuur, toezicht en tegenstrijdig belang bij stichtingen en verenigingen ter
consultatie aangeboden.
Inleiding
In semipublieke sectoren verrichten private instellingen - zoals scholen,
ziekenhuizen en woningcorporaties - publieke taken. In semipublieke sectoren zijn
vaak stichtingen actief, waardoor er geen kiezers, leden of aandeelhouders zijn
die invloed kunnen uitoefenen op het bestuur. Bij gebrek aan externe druk is het
des te belangrijker dat er een goed functionerende interne toezichthouder is die
het bestuur zo nodig tot de orde kan roepen, om een goede dienstverlening in het
publieke belang te waarborgen.
In de praktijk is gebleken dat niet in alle instellingen het interne toezicht op het
bestuur op orde is. Sommige toezichthouders leunen achterover en stellen zich
onvoldoende op als tegenwicht voor het bestuur. Ook wordt wel een gebrek aan
1 W&R: wetsvoorstel Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting, Kamerstukken
I, 32 769, nr. A, OCW: brief versterking bestuurskracht onderwijsinstellingen, 19 april 2013,
Kamerstukken II, 33 495, nr. 10, VWS: brief goed bestuur in de zorg, 19 september 2013,
Kamerstukken II, 32 012, nr. 15.
Directie Wetgeving en
Juridische Zaken
Sector privaatrecht
Turfmarkt 147
2511 DP Den Haag
Postbus 20301
2500 EH Den Haag
www.rijksoverheid.nl/venj
Ons kenmerk
435758
Bij beantwoording de datum
en ons kenmerk vermelden.
Wilt u slechts één zaak in uw
brief behandelen.

Pagina 2 van 9
Directie Wetgeving en
Juridische Zaken
Sector privaatrecht
Datum
12 november 2013
Ons kenmerk
435758
professionaliteit en deskundigheid van interne toezichthouders gesignaleerd.2
Deze passieve houding van de raad van toezicht leidt in de regel niet tot
aansprakelijkheid, zo blijkt uit WODC onderzoek naar
aansprakelijkheidsprocedures.3 De beslissing om een bestuurder of
toezichthouder aansprakelijk te stellen wordt afgewogen tegen bijvoorbeeld het
geven van ontslag of het treffen van een onderhandse schikking. In de meeste
gevallen werden geen interne toezichthouders aansprakelijk gesteld.
De centrale vraag is hoe de overheid de kwaliteit van het toezicht op het bestuur
van instellingen in semipublieke sectoren – en daarmee het bestuur van die
instellingen - kan verbeteren. De overheid kan bijvoorbeeld bestuurders en
toezichthouders van dergelijke instellingen stimuleren om zelf gedragsregels op te
stellen en duidelijkheid te scheppen over de invulling van hun taken en
bevoegdheden in het licht van hun publieke taak. Hierop zal worden ingegaan in
de eerdergenoemde kabinetsreactie op het rapport van de Commissie Behoorlijk
Bestuur.
Goed toezicht begint bij de interne structuur van bestuur en toezicht van
instellingen – hoe zorg je ervoor dat de juiste mensen op de juiste positie worden
benoemd, met de juiste bevoegdheden. De governance moet niet alleen op
papier, maar ook in de praktijk op orde zijn. De overheid kan de selectie van
goede bestuurders en toezichthouders stimuleren, en zorgen voor bewustwording.
Dit valt eveneens buiten het bestek van deze brief.
Goed toezicht is nadrukkelijk ook een kwestie van gedrag en gezag van
toezichthouders. Hierop zal ook worden ingegaan in de eerdergenoemde
kabinetsreactie op het rapport van de Commissie Behoorlijk Bestuur. Deze brief
gaat over het sluitstuk van goed bestuur en toezicht: het aansprakelijkheidsrecht.
Het aansprakelijkheidsrecht kan worden ingezet als instrument om goed bestuur
en toezicht te stimuleren: de wetenschap van mogelijke aansprakelijkheid kan
onzorgvuldig gedrag ontmoedigen. Doel is dat bestuurders en toezichthouders
assertiever zijn en beter opletten, in de wetenschap dat zij een serieuze taak
hebben. Aansprakelijkheid is, als sluitstuk, alleen aan de orde bij schade als
gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, niet als weloverwogen
beleidsbeslissingen uiteindelijk door omstandigheden tot negatieve gevolgen voor
de instelling leiden.
Deze brief bevat vier invalshoeken om vanuit het aansprakelijkheidsrecht gewenst
gedrag van bestuurders en toezichthouders te stimuleren en ongewenst gedrag te
ontmoedigen, om zo het bestuur en het interne toezicht bij instellingen in
semipublieke sectoren te verbeteren. Daartoe bevat de brief een overzicht van
huidig en komend recht, zowel algemeen als sectorspecifiek. Naast een overzicht
van reeds in gang gezette maatregelen worden nieuwe maatregelen voor
stichtingen en verenigingen aangekondigd. Het kabinet meent dat deze
maatregelen in een juiste verhouding staan tot het beoogde doel: de verbetering
van de kwaliteit van het toezicht en daarmee een betere borging van publieke
2 Vgl. Centraal Economische Commissie, Advies aan de informateur, november 2012.
3 Eshuis, e.a., Het aansprakelijk stellen van bestuurders, Onderzoek naar de overwegingen
die spelen bij het al dan niet intern aansprakelijk stellen van bestuurders en interne
toezichthouders, WODC, december 2011, Kamerstukken II, 31 386, nr. 19.

Pagina 3 van 9
Directie Wetgeving en
Juridische Zaken
Sector privaatrecht
Datum
12 november 2013
Ons kenmerk
435758
belangen. Daarbij is ook het risico betrokken dat een stapeling van maatregelen
ertoe kan leiden dat bekwame toezichthouders niet langer kiezen voor een
toezichthouderfunctie in semipublieke sectoren.
Vier invalshoeken
1. Taken en bevoegdheden interne toezichthouders verduidelijken
Niet voor alle interne toezichthouders in semipublieke sectoren is duidelijk wat tot
hun taak behoort. Verbetering van het toezicht begint bij het scheppen van meer
duidelijkheid over de taken en bevoegdheden van interne toezichthouders. Het
betekent ook dat interne toezichthouders ervoor moeten zorgen dat zij voldoende
geïnformeerd zijn om besluiten te nemen. Een reden voor inactiviteit van interne
toezichthouders is dat men afgaat op de informatie die door het bestuur wordt
verstrekt en men niet goed weet wat men allemaal zelf kan of moet doen. Zij
hebben een eigen verantwoordelijkheid om informatie in te winnen. Wanneer
toezichthouders meer duidelijkheid hebben over hun taken en bevoegdheden,
weten zij beter wat er van hen verwacht wordt en wat zij van elkaar mogen
verwachten en kunnen zij daar ook beter op worden afgerekend. Dit maakt de
drempel voor aansprakelijkstelling lager. Een risico van concretisering van taken
en bevoegdheden is dat toezichthouders zich gaan beperken tot deze taken. Dat
is uitdrukkelijk niet de bedoeling.
In de semipublieke sector zijn veelal stichtingen en verenigingen actief.
Stichtingen- en verenigingsrecht is geregeld in Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek. Thans ontbreekt een wettelijke regeling voor een toezichthoudend
orgaan voor stichtingen en verenigingen. In sectorspecifieke wetgeving is dit
soms wel verplicht gesteld (vgl. de Wet toelating zorginstellingen). Voor private
ondernemingen zijn er wel regelingen in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. In
een naamloze vennootschap, besloten vennootschap en coöperatie heeft de raad
van commissarissen tot taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur en
op de algemene gang van zaken in de rechtspersoon en de daarmee verbonden
onderneming. Hij staat het bestuur met raad ter zijde. Bij de vervulling van hun
taak richten de commissarissen zich naar het belang van de rechtspersoon en de
daarmee verbonden onderneming (art. 2:57/140/250 BW). Indien de algemene
vergadering daartoe niet overgaat, benoemt de raad van commissarissen de
accountant (art. 2:393 lid 2 BW).
In sectorspecifieke wetgeving wordt de taakomschrijving soms nader ingevuld.
Deze nadere invulling van de taken zal, vanwege de verschillende doelstellingen
in de sectoren wonen, zorg en onderwijs, per sector kunnen verschillen. In de
onderwijswetgeving is bijvoorbeeld de goedkeuring van de raad van toezicht
nodig voor de begroting en het jaarverslag en het aanwijzen van een accountant.4
In andere sectoren wordt in de governance codes nader uitgewerkt voor welke
besluiten goedkeuring van de raad van toezicht nodig is. Op basis van de
zorgbrede governance code hebben de raad van toezicht en de leden afzonderlijk
een eigen verantwoordelijkheid om van de raad van bestuur en van de externe
accountant alle informatie te verlangen die nodig is voor een behoorlijke
taakuitoefening en kunnen zij – op kosten van de instelling – informatie inwinnen
van functionarissen en externe adviseurs. De Inspectie voor de Gezondheidszorg
betrekt deze code bij haar toezicht. Een dergelijke concretisering maakt het
4 Zie artikel 24e1, leden 1 en 3, Wet op het voortgezet onderwijs.

Pagina 4 van 9
Directie Wetgeving en
Juridische Zaken
Sector privaatrecht
Datum
12 november 2013
Ons kenmerk
435758
eenvoudiger om toezichthouders op onbehoorlijke taakvervulling af te rekenen.
De publieke taak van een stichting kan ook een rol spelen bij de
aansprakelijkstelling (vgl. Hof Amsterdam, 21 september 2010, LJN BN6929).
Mijn ambtgenoten van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap en voor Wonen en Rijksdienst werken aan concretisering en/of
uitbreiding van de taken van toezichthouders bij woningcorporaties,
zorgaanbieders en onderwijsinstellingen door sectorspecifieke wetsvoorstellen. Zo
wordt in het wetsvoorstel voor de Herzieningswet toegelaten instellingen
volkshuisvesting voorgesteld dat de raad van toezicht een goedkeuringsrecht
krijgt ten aanzien van belangrijke bestuursbesluiten (art. 26). Tevens wordt
voorgesteld dat toezichthouders in woningcorporaties zich niet alleen richten naar
het belang van de instelling, maar ook naar het te behartigen maatschappelijk
belang en naar het belang van de betrokken belanghebbenden (art. 31 lid 2). Ook
de Commissie Behoorlijk Bestuur heeft hier opmerkingen over gemaakt. In de
eerdergenoemde kabinetsreactie zal hier dan ook nader op worden ingegaan.
In Boek 2 BW zal worden geregeld dat stichtingen en verenigingen ervoor kunnen
kiezen om een toezichthoudend orgaan in te stellen, met een wettelijke
taakomschrijving. Voordeel daarvan is dat er een algemene taakomschrijving
wordt gehanteerd die voor alle toezichthouders, al dan niet actief in semipublieke
sectoren, dezelfde is (vgl. art. 2:57/140/250 BW). Ook voor stichtingen en
verenigingen die niet actief zijn in semipublieke sectoren is het van belang dat er
regels voor de raad van toezicht komen, indien stichtingen een toezichthoudend
orgaan hebben ingesteld. Ook buiten de in deze brief genoemde sectoren is
behoefte aan heldere regels voor intern toezicht.
Voor de uitoefening van de taken is ook van belang, in welke gevallen
bestuurders en toezichthouders zich afzijdig moeten houden van de
besluitvorming. In Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zal eveneens worden
geregeld dat bestuurders en toezichthouders bij stichtingen en verenigingen niet
mogen deelnemen aan de besluitvorming, als zij een tegenstrijdig belang hebben.
Dat moet voorkomen dat zij hun persoonlijke belang laten prevaleren boven het
belang van de rechtspersoon (vgl. art. 2:129/239 lid 6 BW voor NV’s/BV’s).
2. Drempels voor aansprakelijkstelling verlagen
Instellingen kunnen zelf ongewenst gedrag ontmoedigen. Bestuurders en
toezichthouders kunnen civielrechtelijk aansprakelijk worden gesteld door de
instelling. Dit zal in de praktijk pas plaatsvinden als de schadeveroorzakende
bestuurders en toezichthouders zijn vervangen door nieuwe bestuurders en
toezichthouders en als voldoende kan worden onderbouwd welke feiten en
gedragingen van bestuurders en toezichthouders in een concreet geval tot
onbehoorlijk bestuur en toezicht hebben geleid.5 Voor die onderbouwing is
enerzijds een duidelijk kader nodig welke feiten en gedragingen als onbehoorlijk
bestuur en toezicht kunnen worden aangemerkt en anderzijds een onderzoek naar
welke feiten en gedragingen in een concreet geval hebben plaatsgevonden.
5 Vgl. de brief van de Minister van Financiën over derivatenposities van (semi-)publieke
instellingen, Kamerstukken II, 33 489, nr. 9.

Pagina 5 van 9
Directie Wetgeving en
Juridische Zaken
Sector privaatrecht
Datum
12 november 2013
Ons kenmerk
435758
Het komt voor dat de overheid druk uitoefent om (tenminste) onderzoek te doen
of aansprakelijkstelling mogelijk is, bijvoorbeeld in geval van een subsidierelatie
of bij een gereguleerde (inzet van maatschappelijk gebonden vermogen voor een)
publieke taak. De Minister voor W&R kan op grond van het Besluit beheer sociale
huursector een woningcorporatie een aanwijzing geven om tot onderzoek over te
gaan. Ook komt het voor dat de overheid zelf een onderzoek laat instellen naar de
gang van zaken (vgl. Commissie Onderzoek Financiële Problematiek Amarantis).
Een onderzoek door of in opdracht van de overheid kan feiten opleveren die
behulpzaam kunnen zijn voor een aansprakelijkstelling van bestuurders en
toezichthouders door de stichting. Indien daartoe aanleiding is, kan een deel van
het onderzoek worden overgedragen aan het Openbaar Ministerie.
De Advocaat-Generaal bij het Gerechtshof Amsterdam kan om redenen van
openbaar belang een enquêteverzoek doen bij stichtingen en verenigingen die een
onderneming in stand houden met een ondernemingsraad op grond van artikel
2:344 jo 345 lid 2 BW. Indien de Ondernemingskamer het verzoek honoreert,
benoemt hij een of meer onderzoekers. De kosten van het onderzoek komen in
beginsel voor rekening van de rechtspersoon. De Ondernemingskamer kan ook
(onmiddellijke) voorzieningen treffen, waaronder schorsing of ontslag van
bestuurders of commissarissen. In de zorg hebben cliëntenraden een
enquêterecht. Bij woningcorporaties wordt voorgesteld dat de Minister voor W&R
een enquêterecht krijgt, evenals huurdersorganisaties (art. 39 wetsvoorstel
Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting). In de onderwijssector
worden op dit moment de mogelijkheid en wenselijkheid van een enquêterecht
voor medezeggenschapsorganen onderzocht (zie brief OCW van 3 oktober,
Kamerstukken II, 33 495, nr. 33).
Naar huidig recht regelt artikel 2:9 BW de interne aansprakelijkheid van
bestuurders van stichtingen en verenigingen. Een bestuurder is aansprakelijk
tegenover de rechtspersoon in geval van onbehoorlijk bestuur. Dat vereist dat
hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt over zijn onbehoorlijke
taakvervulling. Deze norm wordt in de jurisprudentie nader ingevuld, afhankelijk
van de omstandigheden van het geval. In geval van faillissement van een
stichting of vereniging die vennootschapsbelastingplichtig is, kunnen de
bestuurders en toezichthouders op grond van onbehoorlijke taakvervulling
aansprakelijk worden gesteld (art. 2:50a/300a BW).
Boek 2 BW bevat geen uitdrukkelijke regeling voor de aansprakelijkheid van
interne toezichthouders van stichtingen en verenigingen. Voor NV’s en BV’s wordt
in art. 2:149/259 BW artikel 9 van overeenkomstige toepassing verklaard ten
aanzien van de taakvervulling door de raad van commissarissen. Dat betekent dat
de raad van commissarissen een rechtstreekse verantwoordelijkheid heeft voor de
uitoefening van de toezichthoudende taak. Zo oordeelde de Rechtbank Midden-
Nederland onlangs dat de commissarissen van een NV zijn tekort geschoten in
een behoorlijke nakoming van hun toezichthoudende en controlerende taak
(Rechtbank Midden-Nederland, 19 juni 2013, LJN CA3225).
In de hoger onderwijswetgeving zijn bestuurders persoonlijk aansprakelijk jegens
de instelling voor schade ten gevolge van uitgaven die zijn geschied in strijd met
de wet. De Minister van OCW is bevoegd om namens en ten behoeve van de

Pagina 6 van 9
Directie Wetgeving en
Juridische Zaken
Sector privaatrecht
Datum
12 november 2013
Ons kenmerk
435758
instelling het bestuur aansprakelijk te stellen voor schade ten gevolge van
uitgaven in strijd met de wet (artikel 2.9 lid 5 WHW). De interne
aansprakelijkheid van toezichthouders van zorginstellingen, onderwijsinstellingen
en woningcorporaties wordt geregeld in sectorspecifieke (aanhangige of nog in te
dienen) wetsvoorstellen. Zo wordt in het wetsvoorstel voor de Herzieningswet
toegelaten instellingen volkshuisvesting voorgesteld dat artikel 2:9 BW van
overeenkomstige toepassing is op de taakvervulling door commissarissen (art. 31
lid 3). Dit zal ook geschieden in het wetsvoorstel goed bestuur in de zorg (zie de
eerdergenoemde brief over goed bestuur in de zorg).
Bij NV’s en BV’s leidt overtreding van de tegenstrijdig-belangregeling tot
aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen jegens de vennootschap.
Het ligt in de rede dat, wanneer een tegenstrijdig-belangregeling bij stichtingen
en verenigingen wordt geïntroduceerd, ook de aansprakelijkheid van interne
toezichthouders t in Boek 2 BW wordt geregeld. In Boek 2 BW zal derhalve ook
een algemene regeling voor aansprakelijkheid van toezichthouders bij stichtingen
en verenigingen worden geïntroduceerd. Een wettelijke regeling van de taken van
toezichthouders maakt aansprakelijkstelling eenvoudiger, ook omdat dan beter
parallellen kunnen worden getrokken met aansprakelijkheid van commissarissen
bij NV/BV’s.
Externe aansprakelijkheid: Indien de overheid schade heeft geleden, bijvoorbeeld
door financieel bij te springen om een instelling voor faillissement te behoeden,
kan zij op basis van huidig recht bestuurders en toezichthouders aansprakelijk
stellen wegens onrechtmatige daad, voor zover voor bestuurders en
toezichthouders voorzienbaar was dat hun gedrag tot deze schade voor de
overheid zou leiden. Bij woningcorporaties kunnen de (financieel) toezichthouder
en de Minister voor W&R op basis van de huidige en in voorbereiding zijnde
regelgeving een woningcorporatie dwingen om schade aan het maatschappelijk
bestemde vermogen waarmee zij werken, te verhalen.
3. Mogelijkheden tot inzet van het strafrecht
Ook het strafrecht biedt – als ultimum remedium - aanknopingspunten om
wanbeheer van bestuurders en toezichthouders te bestraffen, bijvoorbeeld
wegens valsheid in geschrifte (art.l 225 Sr) en verduistering (art. 321 en 322 Sr).
In geval van faillissement is voorts een aantal handelingen strafbaar gesteld,
waaronder het bevoordelen van schuldeisers en het niet voldoen aan de
boekhoudplicht (art. 342 e.v. Sr). Een aanscherping van het strafrechtelijk
faillissementsrecht is in voorbereiding. Het handelen in strijd met de statuten is
eveneens strafbaar (art. 347 Sr). Voor wat betreft het toepasselijk sanctie-
arsenaal bij genoemde misdrijven is– naast de mogelijkheid tot het opleggen van
forse vrijheidsstraffen – de beschikbaarheid van de sanctie van ontzetting uit het
beroep (een bestuursverbod) een effectieve maatregel met een duidelijke
signaalwerking. Relevant is voorts dat op grond van artikel 51 Sr zowel
rechtspersonen als de feitelijke leidinggevenden of opdrachtgevers binnen de
rechtspersoon strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld wegens de
strafbare feiten die door de rechtspersoon zijn begaan.
In het wetsvoorstel verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische
criminaliteit (Kamerstukken II 2012/13, 33 685, nr. 2) wordt voorgesteld om

Pagina 7 van 9
Directie Wetgeving en
Juridische Zaken
Sector privaatrecht
Datum
12 november 2013
Ons kenmerk
435758
misbruik van gemeenschapsgeld strafbaar te stellen (art. 323-nieuw Sr). Misbruik
van gemeenschapsgeld betreft het oneigenlijk gebruik van middelen verstrekt
door of vanwege de rijksoverheid, lokale overheden of internationale organisaties
(waaronder subsidiegelden). In het kader van het optimaliseren van het
strafrechtelijk instrumentarium ter bestrijding van misstanden in de semipublieke
sector ziet het kabinet voorts twee aandachtspunten. Het eerste is het ontbreken
van strafrechtelijke sanctionering van het niet-naleven van de administratieplicht
(art. 2:10 en 3:15i BW). Een dergelijke strafbaarstelling brengt de
zorgvuldigheidsplicht van instellingen en ondernemingen in het maatschappelijke
en economische verkeer beter tot uitdrukking en biedt in gevallen van fraude een
aanknopingspunt voor nader onderzoek. Een voorstel tot aanpassing van de
strafwet op dit punt is reeds in consultatie gebracht (zie
http://internetconsultatie.nl/faillissementsfraude).
Een tweede aandachtspunt betreft de situatie rond een dreigend faillissement van
semipublieke instellingen. Bij instellingen in semipublieke sectoren kan het in
uitzonderlijke gevallen voorkomen dat de overheid moet ingrijpen om de
verstrekkende maatschappelijke gevolgen van een faillissement te voorkomen. In
dat geval ontlopen de bestuurders van die instellingen thans een mogelijke
strafrechtelijke vervolging voor faillissementsdelicten, waarvoor vereist is dat het
faillissement is ingetreden. Het kabinet wil hierin verandering brengen.
Wetswijziging is daarom in voorbereiding opdat tegen dergelijk laakbaar handelen
(bijvoorbeeld buitensporige uitgaven) waarvan de instelling ernstig nadeel heeft
ondervonden, strafrechtelijk kan worden opgetreden onafhankelijk van de vraag
of het faillissement daadwerkelijk is ingetreden (zie het eerdergenoemde
conceptwetsvoorstel herziening strafbaarstelling faillissementsfraude).
4. Versterking extern toezicht
In semipublieke sectoren is er vaak een externe toezichthouder of heeft de
Minister interventiebevoegdheden. Het gedrag van interne toezichthouders kan
worden beïnvloed door externe toezichthouders. Interne toezichthouders kunnen
zich gesterkt weten jegens het bestuur als zij kunnen terugvallen op een externe
toezichthouder of als zij worden verplicht om aan een externe toezichthouder
melding te doen van vermoeden van wanbeheer. Het is daarbij niet de bedoeling
dat interne toezichthouders zich verschuilen achter externe toezichthouders, of
klem komen te zitten tussen bestuur en externe toezichthouders.
Het wetsvoorstel Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting voorziet
in continuering dan wel uitbreiding van de bevoegdheden van de Minister, dan wel
een externe toezichthouder door middel van: het geven van een aanwijzing; het
toetsen van de geschiktheid van bestuurders en toezichthouders; in bijzondere
omstandigheden, het schorsen van toezichthouders door de Minister; de Minister
kan de Ondernemingskamer verzoeken om ontslag van een of meer
commissarissen; in bijzondere omstandigheden kan de minister (ook nu al)
bepalen dat een woningcorporatie voor bepaalde handelingen goedkeuring van
hem of een door hem benoemde zgn. actieve toezichthouder moet krijgen. Ook
kan de Minister de rechtbank verzoeken een woningcorporatie onder bewind te
stellen.

Pagina 8 van 9
Directie Wetgeving en
Juridische Zaken
Sector privaatrecht
Datum
12 november 2013
Ons kenmerk
435758
Ook de Minister van OCW heeft aangekondigd dat haar interventiemogelijkheden
worden uitgebreid. Zo zal de Minister van OCW, analoog aan de Woningwet, bij
wet vastleggen in welke gevallen de interne toezichthouder de Inspectie van het
onderwijs moet informeren over zaken die hij in zijn toezichtsrol tegenkomt (Brief
versterking bestuurskracht onderwijs, p.14). In de zorg heeft de Minister reeds de
beschikking over interventiemogelijkheden zoals het geven van een aanwijzing.
Een en ander wordt nader uiteengezet in de brief van de Minister en
Staatssecretaris van VWS over bestuurlijke aansprakelijkheid en
ondertoezichtstelling in de zorg. Een nadere beschouwing van deze bevoegdheden
zal worden meegenomen bij de ontwikkeling van het wetsvoorstel goed bestuur in
de zorg, dat momenteel in voorbereiding is. Daarnaast ligt er een belangrijke taak
bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg voor het toezicht en de handhaving op
het gebied van goed bestuur in de zorg.
Een bestuurder van een stichting die iets doet of nalaat in strijd met wettelijke of
statutaire bepalingen of zich schuldig maakt aan wanbeheer, kan op verzoek van
het OM of iedere belanghebbende door de rechter worden ontslagen (art. 2:298
BW). Ook de Staat is als belanghebbende aangemerkt in haar verzoek tot ontslag
van bestuurders van een stichting (Rb Den Bosch, 30 januari 2008, LJN BC3002).
Deze mogelijkheid zal worden uitgebreid, zodat ook interne toezichthouders
kunnen worden ontslagen, indien zij zich schuldig hebben gemaakt aan
wanbeheer of iets hebben gedaan of nagelaten in strijd met wettelijke of
statutaire bepalingen.
Vervolg
De volgende initiatieven die het interne toezicht van instellingen in semipublieke
sectoren versterken, zijn reeds in gang gezet:
Sectorspecifieke wetgeving om taken, bevoegdheden en/of
aansprakelijkheid van interne toezichthouders te regelen dan wel uit te
breiden (W&R, OCW, VWS);
Wetsvoorstel verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-
economische criminaliteit (VenJ);
Uitbreiding strafbaarstelling in faillissement (VenJ);
Sectorspecifieke wetgeving om bevoegdheden externe toezichthouders te
continueren c.q. uit te breiden (W&R, OCW, VWS).
In aanvulling daarop worden de volgende maatregelen aangekondigd:
Wetsvoorstel versterking toezicht stichtingen en verenigingen in Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek:
o Stichtingen en verenigingen kunnen kiezen voor een
toezichthoudend orgaan;
o Vastlegging van taken en bevoegdheden van het toezichthoudend
orgaan;
o Regeling tegenstrijdig belang;
o Regeling van aansprakelijkheid van interne toezichthouders;
o Uitbreiding ontslagmogelijkheid interne toezichthouders.

Pagina 9 van 9
Directie Wetgeving en
Juridische Zaken
Sector privaatrecht
Datum
12 november 2013
Ons kenmerk
435758
Een conceptwetsvoorstel inzake bestuur, toezicht en tegenstrijdig belang bij
stichtingen en verenigingen zal naar verwachting begin december 2013 ter
consultatie worden aangeboden via http://internetconsultatie.nl. Met deze
maatregelen beoogt het kabinet om de kwaliteit van bestuur en toezicht in de
semipublieke sector structureel te versterken.
De Minister van Veiligheid en Justitie,
I.W. Opstelten